|

Deze snelle, ruim jagende Duitse staande is in ons land een
populaire jachthond. Met een goede opleiding is deze hond een goede all-round
jachthond. Alleen zijn dunne vacht maakt hem minder geschikt voor extra koud
waterwerk. Komt voor in effen bruin, bruinschimmel eventueel met platen en in
zwartschimmel eventueel met platen.
De Duitse staande korthaar, zoals wij die nu kennen,
werd in 1872 door de Duitse Kennel Club erkend.
De belangrijkste raspunten zijn de
volgende:
De algehele verschijning toont een adellijke, harmonische
hond. De uiterlijke vormen vertonen uithoudingsvermogen, kracht en snelheid.
Een vloeiende belijning van boven- en onderlijn, een droog
hoofd, de perfect horizontaal gedragen staart tijdens actie en de strak
gespannen, kort behaarde huid verhogen de adellijke verschijning.
Reuen meten 62 tot 66 cm aan de schoft en teven 58 tot 63
cm.
Het droge markante hoofd dat noch te licht noch te zwaar
mag zijn, moet goed in harmonie met het edele lichaam zijn. De neusrug is vooral
bij de reu iets gebogen. Lippen mooi gerond tot aan de mondhoek zonder over te
hangen. Vlakke sterke wangen. Een krachtige voorsnuit of vang. Lichte stop en
een brede, iets gewelfde schedel.
De vlakke, middelmatig lange oren, noch te vlezig noch te
dun, moeten hoog en breed aangezet zijn en vallen zonder plooi langs de schedel,
aan de onderzijde iets afgerond en tot aan de mondhoek reikend. De middelgrote,
donkerbruine ogen met goed sluitende oogleden mogen noch uitpuilen, noch te diep
liggen.
De brede neusspiegel met grote open neusgaten moet bruin
zijn. Een vleeskleurige of gevlekte neus is niet toegestaan met uitzondering
voor de honden met witte grondkleur. Het gebit moet krachtig, volledig en
normaal scharend zijn. Een licht boven voorbeet van plusminus 2 mm is
toegestaan.
De droge lange, goedgespierde hals moet droog zijn en
vloeiend en in de schouders overgaan. De borst is meer diep dan breed en reikt
tot de ellebogen en loopt ver naar achteren door. Een te korte borst, de
zogenaamde kippenborst, is een ernstige belemmering voor het uithoudingsvermogen
van de hond evenals te ronde ribben.
Goed gevormde voorborst.
De rug moet stram zijn met korte, brede, buigzame en iets
gewelfde lendenen.
Het kruis moet breed en lang zijn en niet te sterk hellen
en de buik moet iets opgetrokken zijn. De voorhand eist schuine, goedliggende en
droogbespierde schouders die vlak op de niet overdreven gewelfde ribben liggen.
Het opperarmbeen is praktisch evenlang als het schouderblad
en de ellebogen liggen bij een juiste hoeking van schouder en opperarm ver naar
achteren, dat wil zeggen bij het diepste punt van het borstbeen. De ellebogen
moeten goed aansluiten en noch naar binnen noch naar buiten draaien. Rechte
goedgespierde onderarm met krachtige niet grove botten.
De polsen iets gehoekt, waardoor de middenvoet iets schuin
naar voren staat.
De achterhand moet in goede harmonie met de voorhand zijn,
dat wil zeggen de hoekingen dienen nagenoeg hetzelfde te zijn. Het bekken moet
lang en breed zijn. Dijen breed en goed gespierd. Krachtige, rechte
achtermiddenvoeten zonder wolfsklauwen. Voeten in de vorm van een lepel met goed
gewelfde kootjes en krachtige nagels. Zoolballen stevig en hard.
De Duitse Staande Korthaar is een droge hond, dat wil
zeggen de huid moet strak gespannen zijn zonder plooivorming. Beharing kort en
dicht, stevig en hard aanvoelend. Op de oren en het hoofd is het haar dunner en
korter. Aan de onderzijde van de staart mag het haar niet langer zijn dan elders
op het lichaam. De hoog aangezette staart is krachtig aan de staartwortel en
loopt daarna dunner uit tot aan de punt. Ter voorkoming van stukslaan tijdens de
jacht werd de staart tot op de helft ingekort, dit is heden, vanaf najaar 2001
verboden.
Staartblessures zijn hardnekkig en genezen zeer moeilijk,
vandaar de inkorting.
In rust hangt de staart iets naar beneden maar tijdens het
zoeken naar wild wordt deze hoger gedragen, echter niet sterk gekromd of over de
rug getrokken. Bij het werk toont de staart veel beweging.
Botten moeten krachtig zijn zonder spoor van grofheid of te
fijn van structuur.
De Duitse Staande Hond Korthaar kan geheel bruin van kleur
zijn, of bruin met kleine gespikkelde of witte aftekeningen op borst en voeten,
of donkerbruin schimmel met bruin hoofd en bruine platen of vlekken, of
lichtbruinschimmel waarbij het wit overheerst ten opzichte van het bruin of wit
met bruin hoofd en bruine platen of vlekken of zwart met dezelfde patronen als
de bruinschimmels.
Gele aftekeningen zijn toegestaan. De zwarte variëteit
wordt ook wel aangeduid als Pruisisch Korthaar. Bij deze honden moet de neus
zwart zijn.
Honden met wolfsklauwen, de vijfde teen aan de achterhand,
moeten gediskwalificeerd worden."
(uit Handboek Kynologie) |